zonder als gebrek aan goede manieren en gebrek aan gedistingueerde reserve worden verweten. Ik had iets mevrouwachtigs moeten doen door afgemeten naar de oorzaak te vragen van het weggaan bij mevrouw Van Berch van Vleuten — in plaats daarvan informeerde ik nieuwsgierig: „Waar is dat leuke rood en wit gestreepte jasje van je?" En onwillekeurig sprak ik het woord jasje uit op de reeds boven aangeduide manier van mevrouw Van Berch van Vleuten. „Dat heeft dat mensch gehouden," antwoordde Karei, en hierop nu zou ik elke vertrouwelijkheid in toon hebben moeten afsnijden met streng terecht te wijzen: „Mevrouw Van Berch van Vleuten is geen mensch, maar een mevrouw," en misschien daarmee onbedoeld de waarheid benaderd hebben. Doch het ontbreekt me aan alle gevoel voor prestige. Ik liet mevrouw Van Berch van Vleuten „een mensch" zijn en had hierdoor een woordenstroom bij Karei ontketend, die me verrast en nieuwsgierig deed toehooren. Ik gaf hem een Voorburgje, een zoetelijken, onschuldigen drank, om hem op zijn gemak te zetten. Dat Voorburgje nu heeft mij de reputatie geschonken van „zeer ordinair" en „een schepsel" te zijn — een reputatie door mevrouw Van Berch van