En eigenlijk zal het niemand meer erg verwonderen, dat Karei zich op een dag bij me aanmeldde. Hoewel — mij verwonderde het bovenmate, Karei op een ongewoon uur in een doodgewoon, afgedragen, donkerblauw cheviot-pak voor me te zien — zonder het gesteven gestreepte jasje, zonder het aangenaam aan Parijs herinnerende joyeuse kellnerschort. „Wilt u me hebben?" vroeg hij eenvoudig als een ongeduldige onstuimige minnaar. Ik zei direct ja, denkende aan den regelmatigen, keurigen gang van zaken in den huize van Berch van Vleuten, denkende aan de prachtig gerangschikte sneden brood in het korfje. En als lieflijk visioen zweefden de bloemen en figuurtjes door mijn gedachten, die in het zuivelproduct boter aangebracht kunnen worden. De woorden „wilt u me hebben” waren de eerste klanken, die ik van Karei mocht vernemen. Tevoren was ik steeds met een onvergelijkelijke, kleine buiging door hem ontvangen, wanneer ik bij de familie van Berch van Vleuten moest zijn, een buiging, die hem denkelijk na lang instudeeren door mevrouw van Berch van Vleuten bijgebracht was.
Met het te schielijke „ja" begon ik de reeks van fouten in te zetten, die me door velen en door mevrouw Berch van Vleuten in 't bij