het eenvoudige dagelijksche brood tot een pyramidetje van kunstzinnigheid en verfijning was opgebouwd, dan zal niemand zich meer verwonderen, dat er een zekere jaloezie in me opkwam ten opzichte van mevrouw van Berch van Vleuten. Van de sierlijke figuurtjes en bloemetjes op de boter aangebracht kon ik mijn blikken niet afhouden — ze hadden een biologeerende uitwerking op me.
Mevrouw van Berch van Vleuten zei met triomfeerenden trots deze blikken volgend: „Eiken dag een ander figuurtje op de boter en het brood anders gerangschikt, alles van mij geleerd, niet waar, Karei?" Misschien knipten even de neergeslagen oogen met de zeer lichte wimpers in het gesloten gelaat van den voorbeeldigen mensch, misschien werden zijn bleeke kaken een ietsje levendiger gekleurd — verder gebeurde niets op het compliment, dat mevrouw van Berch van Vleuten zichzelf gaf. „Trek je jasje recht," beval ze dan op een commandeertoon. Nu was er noch op het jasje van Karei, noch op de wijze, waarop dit kleedingstuk het rijzige figuur omsloot, iets aan te merken. Des te meer zou er uitgewijd kunnen worden over de manier, waarop mevrouw van Berch van Vleuten het simpele woord „jasje" uitsprak.