was vaak iets naars aan de hand — de schoenen, de huisbaas, Het Steun — deze woorden spraken Juffrouw Leida en haar kinderen uit, of ze de apocalyptische onheilen op wilden noemen.
De kinderen werden door mij „uitgetee-kend". Dat spaarde me ook weer modellen. Ze zaten doodstil met hun ordinaire gezichtjes voor me. Ze spraken allemaal over filmsterren, ze wilden allemaal filmster worden, zelfs het jongste, dat met 5 jaar nog niet goed spreken kon. Bij de geboorte van dat kind scheen iets gebeurd te zijn, iets geheimzinnigs en duisters, waar Juffrouw Leida even op zinspeelde. Wanneer ik één van die kinderen teekende, zong Juffrouw Leida zacht en melodieus en treurig iets over smart — tranen — afscheid en liefdesleed. Het was met de 5 kinderen en Juffrouw Leida samen rustiger en stiller in huis, dan ’t met de oprechte, vreeselijke Frieda ooit geweest was. Er stond altijd koffie op — het rook naar armen-ziekenhuis en bloemen en koffie.
Toen kwam Het Steun — Het Steun was iets tusschen heer en man in. Juffrouw Leida was er plotseling niet meer — de kinderen waren ook ergens verborgen naar het scheen. Van Het Steun kreeg ik het soort uitbrander,