moderne rastheorieën ook eens mag aanbrengen. De kinderen hadden ordinaire gezichtjes en ordinaire stemmetjes. Juffrouw Leida sprak verrukkelijk zacht—het leek of ze alles aaide, den grond, de trappen, haar kinderen en mijn kleeren. Ze liep zonder eenig geruisch. Ze deed soms iets met „Karolien", zoodat de woning naar een armen-ziekenhuis ging ruiken — ze ging erg kwistig met het goedje om, dat creoline bleek te zijn — „voor de frissigheid en omdat mevrouw zoo'n hekel aan de stofzuiger heeft — 't is ook een zenuwe-geluid.” Het werd heelemaal een beetje armenhuis bij me op een gezellige manier. Mijn deftige kennissen kwamen niet meer bij me, dat had ik dus ook al aan Juffrouw Leida te danken. Er werden veel flensjes gebakken, litersgewijze „Gazeuse" gedronken. De trappen glommen niet meer erg. En als de kinderen nu eens Zondags niet op straat konden, omdat ze geen heele schoenen hadden, kwamen ze vlug bij me voor de gezelligheid, (Mijn maat schoenen paste hun niet). Het huis stond altijd vol bloemen — op de gangen, op mijn atelier — overal. Het was een alleraardigste attentie van Juffrouw Leida en haar kinderen — Zaterdags kreeg ik dan de rekening van den bloemenman. Met die schoenen