Thijs den moed zal hebben nog eens van haar weg te loopen. Eigenlijk gaat het in het leven onrechtvaardig toe — dat wordt zooveel gezegd — en ditmaal zeiden mijn familieleden en kennissen het weer heel vaak: „Nu wil je die keurige frissche vrouw uit haar betrekking doen, omdat ze zoo eerlijk is en geen kousen steelt, en nu krijgt dat diefachtige mensch nog een betere betrekking op den koop toe — je bent ook niet wijs."
Ik geef het toe — ik ben niet zoo heel wijs. De keurige Frau Frieda werd vlug hierna opgezegd om een onbeduidende reden, maar eigenlijk wegens gemis aan „tak" en Juffrouw Leida werd een soort externe huisbewaarster, goed bezien werd ze alles bij me. Ze bracht haar kinderen als hulp mee — heelemaal gratis, zelfs de kleintjes van 5 en 8 jaar stonden eieren te kloppen in de keuken. De oudste paste mijn japonnen aan. Juffrouw Leida was eenigszins te vroeg getrouwd, ze had moeten trouwen, vertrouwde ze mij schuchter toe — zoo kwam het, dat ze met 33 er als de beeld-schoone zuster van haar 15- en 17-jarige dochters uitzag. Het ras van den man met de drievoet scheen niet zoo nobel te zijn als het ras, waar Juffrouw Leida uit voortkwam — wanneer ik de thans zoo gewaardeerde en