gekromdebeenen en deed altijd haar „Pflicht". Overigens was Frieda een frissche nette vrouw — dat zei tenminste iedereen, die bij me kwam: „Waarom houdt je die nette frissche vrouw niet en gooi je die onbetrouwbare slons er niet uit?" Maar ik kon de nette frissche vrouw nu eenmaal niet uitstaan — ze had geen manier van tak, ze ging ostentatief stofzuigen, wanneer ik juist iets prettigs wilde doen — naar de wolken kijken of lezen of niets doen (denkelijk om het nuttelooze van mijn bestaan te demonstreeren. Ze liet het expres uitkomen, dat Juffrouw Leida een paar kousen van me weggenomen had — ze vroeg streng: „Zaain die kouschen van u, Mefrau?" Per ongeluk zei ik ja. God, wat was die Frieda uit Westfalen eerlijk „entrüstet" en triomf eerend: „Baai die werkschter in de tasch gefunde — wenn man nur zu seinem Heiland betet, da heb ik altaid vertrouwen in, die bringt alles an das Licht." Aldus den Heiland tot een soort hemelschen rechercheur makend, verried Frieda op deze manier Juffrouw Leida. Juffrouw Leida glimlachte zacht en zei, dat ze die kousen had willen stoppen voor me. Het waren helaas nieuwe kousen — er was niets aan te stoppen. Juffrouw Leida en ik werden samen verlegen voor de rechtvaardige Frieda.