beschaafden zoo gaarne gewenschte, doch zeldzaam voorkomende gevoel voor tact. Het hangt samen met iets, dat op het juiste oogen-blik geschieden moet. Op het juiste oogenblik lachen, huilen, een paar bloemen bij de hand hebben, een paar woorden, maar de juiste woorden — op het juiste oogenblik zwijgen kunnen.
Dat kon Juffrouw Leida's medehelpster, Frau Frieda nu niet. Eigenlijk was Frieda uit Westfalen, beter gezegd uit Holzminden, juffrouw Leida’s „Vorgesetzte”. Frieda was huisbewaarster bij me. Ergens had ze ook nog een klein Hollandsch, ongelukkig mannetje met een positie-tje, door Frieda „Taais" genoemd, en hiermede den onderworpen Thijs bijna bedekkend met schande door hem den naam van een courtisane te geven. Frieda uit Westfalen was eerlijk, vlijtig, rechtschapen en plichtsgetrouw. Ze noemde Juffrouw Leida „de werkschter". Ten slotte was Juffrouw Leida ook als werkster bij me gekomen — ik zag haar in het begin veel boenen en trappen doen en door Frieda gecommandeerd worden. Frieda braadde veel reuzel uit, keek me met trouw-Duitsche, doch ver uit een breed gezicht uitpuilende blauwe oogen rechtschapen aan, liep zwaar met eenigszins naar binnen