zijn bed gestorven op een ziekenzaal en had aldoor geroepen: „scheije, scheije — hij wou al lang van ze wijf af, voel u wel?” Zoo duidelijk zie ik die familie voor me, de dooden en de levenden. Maar de man van Juffrouw Leida blijft een schim, die zich aan een drievoet voortsleept. Den drievoet zie ik heel scherp — het zal zoo iets zijn, waar kleine kinderen achter schaatsen leeren rijden. Doch de man krijgt geen contour voor mij, hij komt niet uit de verf. Hij schijnt een eenzelvig mensch te zijn, want hij geeft niet om ziekenbezoek. „En de reiskoste — voel u wel — heelemaal naar Scheveninge.” De vorige maand zei Juffrouw Leida, heelemaal naar Haarlem. Van enkele bezoeken vertelt Juffrouw Leida, doch het is steeds een erg monotoon verhaal — hij wordt dikker en dikker, hij loopt aan een drievoet en misschien wordt het been niet meer zoo goed als het was .... Die eene doode broer krijgt nog steeds bloemen op zijn graf gebracht; hij is gelukkig hier in de buurt begraven — dan kan je nog eens met hem praten. En de andere had heel lange wimpers en dat stond zoo mooi op zijn gestorven, wasbleek gezicht. God, wat zijn die broers levend en heelemaal en dichtbij te zien en wat is die man met den drievoet ver weg.