king houden?" — wanneer ik anecdotische kleinigheden vertelde op het gebied van boter, kousen en rokken. Nu vind ik de begrippen slecht en onbetrouwbaar begrensd en betrekkelijk. Ik ken hoogst fatsoenlijke menschen, die er niet aan zouden denken ook maar het geringste bij me weg te nemen, en er zijn er bij, die zelfs nooit een keertje liegen, — en toch denk ik telkens, wanneer ik ze aankijk: „Wat hebben jullie een onbetrouwbare, slechte tronie!" Velen hunner zitten in eere-comité's, dus ze kunnen onmogelijk slecht zijn — anderen spelen het klaar 25 jaren achter elkaar aanzienlijke posities te bekleeden met een jubileum erbij — hoe zouden die onbetrouwbaar kunnen zijn! Misschien is het een optisch bedrog, dat ik aan mijn oogen te wijten heb, om zulke infatsoenlijke menschen zoo ongunstig te zien. Misschien ook hebben bankconto's, eere-comité's en posities zulk een veredelenden invloed op ze gehad, dat de slechtheid en onbetrouwbaarheid van hun „onderbewustzijn" daardoor geabsorbeerd is geworden en alleen nog door mijn profane oogen worden waargenomen — en het kon eens zijn, dat zij geen boter, zijden kousen of costuumrokken van iemand anders noodig hebben, omdat ze