Aardige vondst, hè, van mijn vrouw — P. H. Wibbels, snap je?" Ik snapte, dat ik het ont-werpje heelemaal moest wegbergen in het mapje, niet nogeens vragen er met vrouw en familie over te spreken. Deze familie zou een eensgezind vijandig front vormen — dat zag ik nu wel. De portretten stonden tusschen de varkensringen — portretten van menschen, die het goed gaat, nette maatschappelijke firma-menschen — menschen zooals de staat ze hebben moet. Wibbelsen met beide voeten stevig op de aarde, i.c. op de karpetten staande.
Een geanimeerd borreluur, een dameskapel, een dancing — het kunnen verrukkingen in een mannen-bestaan worden; ik begreep het volkomen — ik begreep ook, dat op zulke oogenblikken charmante dingen beloofd worden — men is een ander. Ik had in plaats van de 2,50 de ƒ 25 moeten aannemen. Pim was volkomen vergeten, dat ik die van hem geleend had, — „Merci, hoor, was het absoluut vergeten," zei hij verstrooid, toen ik mijn stevigen rijksdaalder zoo eerlijk teruggaf, ezel, die ik was. „Hoor je die voetstappen?” vroeg hij. Ja, ik hoorde wel iets buiten. En er viel ook aldoor nog natte sneeuw, die terstond dooide — nooit heb ik geweten, dat zelfs