sneeuw iets vreeselijks kan zijn. „Dat is de knappe winkeljuffrouw van Reinders,” mediteerde Pim bijna droomerig. „Wanneer ik hier in de winkel zit, weet ik precies, wie voorbij gaat — zonder te kijken en hoe laat het dan is — hoor maar, damesstapjes." — Dames-stapjes — stilte — sneeuw — Veenschoten. Het woord damesstapjes, geloof ik, gaf den doorslag. Ik wilde weg — en prgens in mijn hersens was ik blij, dat het met het ontwerp niet doorging, al had ik het ook nog zoo noodig. Ik wilde weg, weg van het ijzer, de varkensringen, de firma Wibbels, de ijzige kou — en dc ongeziene damesstapjes. Weg van het Veen, waar je langzaam in wegzinkt — in verveling, dorpsgezeur, centen-tellen en horretjes-kijken. Er kwamen visioenen van veenmoerassen bij me opdoemen, waarvan ik eens gelezen had — ik stelde me een taaie vette modder voor, waar je door opgezogen wordt. Pim van Bruggen zou opgezogen worden, de ijzerwinkel, waarin hij door zijn schoonvader „gezet” was geworden, een vrouw met nu al een onderkin, de schoonouders Wibbels en een kind, dat naar een firma heette, Het kind hing weer aan de over-massieve lamp, toen ik de woonkamer doorstoof, verbaasd door Pim nagekeken. Hij zei