waardigde hij me nu te vragen via de vrouw.
Toen hij het ontwerp zag, kwam er voor het eerst een lach bij hem op, maar niet de gulle, prettige lach van de dameskapel en de teünie — bewaar me — het was een satans-lach in een ijzerwinkel: „Wat zal het Veen van zooiets zeggen," brulde hij bijna stikkend, „iets voor ons, in ons Veen — ze zullen zeggen, van Bruggen is gek geworden, een kiekkast uit de stad, och hemel ja, dat Veen bij ons!" Het begon langzaam te sneeuwen, natte smeltsneeuw, die direct weer in het niets overgaat. Een boer kocht nog een emmer. Pim stond achter de toonbank, en ik had mijn ontwerp weer terug. Bij het teruggeven had ik bemerkt, dat Pim zware polsen had — echte slagerspolsen. Onwezenlijk stonden de ploegen, waschtobben, petroleumlampen en schoppen in avond-schaduw over te gaan. Toen de boer, na onmenschelijk lang emmers uitgezocht te hebben, vertrokken was, vond Pim me bij het bureau staan met aschbakken vol asch en vreeselijk riekende sigarenstompjes. „Dat zijn nou varkensringen," wees Pim op iets moorddadigs — doch ik keek naar de portretten. „En dat zijn mijn vrouw en mijn schoonouders, je weet wel van de firma, waar P-Haatje naar genoemd is.