inhoud op den grond verstrooien — ik had hem per ongeluk even op zijn bolletje getikt.
Er schijnt in een ijzerwinkel nog een heel andere kou te heerschen, dan op welke koude plaats ter wereld ook. Het was een ijzeren koude, ik kan het niet anders noemen. Noodig was die kou niet, want Pim verkocht ook kachels. Pim zei haast niets bij mijn aankomst — alleen werd hij kwaad toen ik het koud vond. „Was het maar koud,” bromde hij, „dan zouden ze tenminste schaatsen rijden — daar heb ik op één dag soms 500 gulden in omgezet... en wat koopen ze nou — varkens-ringen koopen ze.” „Wat zijn dat?” vroeg ik. „Ringen met punten,” antwoordde hij ongeduldig, „dan kunnen ze niet meer wroeten, die krijgen ze dan in hun neus, die punte,” — Hierna kwam een lange pauze. Ik dacht ingespannen over de ongelukkige varkens na en over de listige gemeenheid der menschen. „Gemeen is dat,” was mijn conclusie. „Waarom gemeen?” zei Pim opstuiverig, „het zijn varkens — weet je wat ik op zoo'n ring verdien?” „Nee," antwoordde ik, „wat verdien je?” „Eén cent, één heele cent op een varkens-ring. „Hij bood me niet eens een cigaret aan, niets — geen thee, geen stoel zelfs. „M'n vrouw is uit — hoe vindt je het jongetje?" ver