uit vier verschillende magazijnen bij elkaar gezocht. Kortom, men had zijn best gedaan, om voor een kind van zijn derde tot zijn twaalfde levensjaar een aangenaam verblijf te bedenken.
Het kind hing aan de lamp en maakte van daaruit de bewegingen van een slingeraap naar gordijnen, canapé's en stoelen. Of dit slingeren te beschouwen was als een atavistisch overblijfsel uit den oertijd, toen onze voorouders nog in de boomen slingerden, dan wel eenvoudig-weg te verklaren was als een van papa Pim overgeërfde opbruisende levenslust en vitaliteit, wil ik daarlaten. Die lamp hield het uit; het was er een uit Veenschoten, zei Heintje, het dorpsdienstmeisje. Ik dacht met bezorgdheid aan mijn lamp uit naturel shantung en overwoog vlug eenige soorten steenhard imitatie-perkament. P-Haatje was een tierig, zwaar kind, het leek op zijn vader. „Aj nou niet naar hem kiekt, doet ie niks,” verklaarde Heintje, „maor aj je effes met em bemoeit, begint ie subiet.” Ik nam de proef en het kwam uit — dus ik bemoeide me niet met hem. P-Haatje werd doodstil, en ik vond hem even wel sympathiek. Toen hij dat merkte, ging hij weer als een bezetene slingeren, afgewisseld door laden uittrekken en derzelfs