leelijke en gevorderde. En weer viel het me op, dat de getrouwden zoo op de dames gesteld waren — de ongetrouwden waren zoowel bij de dameskapel als in die dancing de onverschilligste. Pim beloofde me tusschen twee dansen door het ontwerp voorde kinderkamer van P-Haatje: „Je komt naar Veenschoten, je logeert een week of drie bij ons en P-Haatje krijgt een kamer, waar ze van op zullen kijken." „Je was altijd een beetje artistiek”, zei hij nog, zooals een ander zou gezegd hebben „je was altijd een beetje getikt." Voor alle zekerheid vroeg ik, of P-Haatje bestond of een hersenschim was. „Waarempel bestaat P-Haatje — dat is een zoon van me, snap je — snap je nog niet?" „Ik snap P-Haatje niet", weifelde ik, „is dat een naam?" „Of het een naam is, een firmanaam van mijn schoonvader, P, H. Wibbels, kalksteenen. Bij de stations, overal staat het." Nu had ik zekerheid met P-Haatje en een ontwerp — een geweldige bof. Pim zat er goed in, hij zei het zelf. In mijn onnoozelheid vroeg ik, of de praktijk in Veenschoten zoo goed ging; voor zoover ik me herinneren kon had Pim zijn doctoraal gehaald. „Een practijk in het Veen — hij is goed, jongens; heeft ooit iemand van een praktijk temidden van het Veen, ons Veen, gehoord?"