behoorde reeds tot de dikker wordenden. De meisjes vonden hem allercharmants — alleen de chef van het etablissement had bezwaren — we moesten allen weg — het nette publiek kon er, geloof ik, niet tegen. Dag snoezen, wuifde Pim naar de meisjes: „Ik zou jullie wel allemaal mee naar het Veen willen nemen, dooie boel, het Veen — hier ook dooie boel, chef, ik maak zoo’n mooie reclame voor je zaak en nou moet ik weg — dag chef!'* Op straat pakte hij van een jongere jaars een fiets beet; met die fiets deed hij meer dan de ge-durfdste parterre-acrobaat, hij reed zig-zag tegen het verkeer in, met borrels en meisjes-beenen in zijn hersens. Ook daar was het publiek er tegen „Dat moet nu een heer voorstellen," klaagde een opgedirkt jongmensch, en hij kreeg direct een draai om de ooren van Pim. Pim was nog dezelfde gebleven — driftig, goeig en rijksdaalders-leenerig. Terstond na het onvermijdelijk procesverbaal leende hij mij een rijksdaalder — hij hield me ƒ 25 voor: „Kan je ook hebben, hoor, mag je hebben, zeg." Voor alle zekerheid nam ik den rijksdaalder maar — stel je voor, als je later toch die 25 pop terug moet geven.
In de dancing ging alles wat vrijer toe — alle dames kregen een beurt, ook de dikke en