gelegen, na de ene beroerdigheid krijg je de andere - raai es wat ik denk?’ Het nette heertje keek hulpeloos naar mij en ik durfde niets te zeggen. ‘Stik denk ik, daar nou!’ Het onnette woord had ik vermoed bij ’s mans geestesgesteldheid en we waren allemaal even stil.
Toen mengde zich de ‘knopenbranche’ erin, een onaangenaam tevreden en zelfingenomen iemand: ‘Staat u lang niet mooi, meneer,’ moraliseerde deze steunpilaar der maatschappij. °t Zijn toch zeker uw klanten, ’t is toch uw brood zo te zeggen.’ ‘Me brood,’ bauwde de oorontsteking hem na, ‘me brood met margarine en met negenendertig graden koorts in me kop. Komt zo’n kapsones-mens een truitje ruilen voor de derde keer en ze ziet vlekkies waar geen vlekkies zijn en me kop barst me onderhand.’ ‘Iedereen mankeert wel eens wat,’ repliceerde de onaandoenlijke knopenbranche luchtig en tactloos. ‘Zo, mankeert wel eens wat, noemt ie dat,’ de oorontsteking ging half opstaan en ik vreesde haast dat hij de knopenbranche te lijf wilde.
‘Beetje verkouwe hè, beetje last van hoofdpijn, zeker, met zo’n dikke rooie kop heb je gemakkelijk praten,’ eindigde de tot op het bloed getergde honend.
Om erger te voorkomen gaf ik te kennen, dat oorontsteking iets afschuwelijks was en erg veel pijn deed; ik wist het toevallig van een goede kennis.
Ik had niet meer in de achting kunnen stijgen, wanneer ik een hertog van den bloede als goede kennis had gepresenteerd - het scheen nobel en eervol te zijn op goede
174