huizen een gesteven jasje moet dragen en die er eigenlijk spijt van kon hebben dat hij niet als hond werd geboren, als gewone straathond dan.
Doe zo’n dier eens een gesteven jasje aan, scheld hem zijn huid vol en probeer hem een zware boodschappenmand te laten dragen. Het dier zou de worst verslinden, het jasje door de modder sleuren en op gemene scheldwoorden reageren met dreigend opgetrokken bovenlip. Hoeveel gelukkiger moet men als gewone straathond dan als man van een ambitieuze kruideniersvrouw wel zijn! Het oude winkeltje, dat ter wille van de klanten zelfs door de kruideniersvrouw nog wel eens geprezen werd als ‘staande op goede stand’ wordt nu door de kruideniersvrouw ineens voor ‘rottig’ verklaard. Alles is er ineens ‘rottig’ geworden; ik verbaas me dat ik in zulk een hoop ‘rottigheid’ ooit de moed heb gehad iets te kopen. Het grote voordeel van het ‘rottige’ winkeltje was echter dat men er van de dag tot de nacht terecht kon.
‘Ik heb ze niet nodig in ’t vervolg,’ zegt de kruideniersvrouw kwaadaardig en honend, ‘ik krijg nu een fijne zaak en wie wat hebben wil, kan tot acht uur terecht en later niet.’
Daar ik me bescheidenheidshalve tot ‘ze’ reken, doe ik een reuzebestelling van de duurste dingen die ze in voorraad heeft. De kruideniersvrouw maakt een sierlijk gebaar met haar door Hema-ringen versierde vingers en verzekert me dat ik, omdat ik het ben, altijd terecht zal kunnen. ‘Omdat ik het ben’; ineens vind ik het een waanzinnig onnozele en tegelijkertijd diepzinnige uitdrukking.
169