De mevrouw van het kruidenierswinkeltje uit het aanbiddelijk smalle oude straatje krijgt eindelijk haar zin. Ze weet zelf nog niet, hoe goed ze het heeft gehad - enfin, dat weten de meeste mensen eigenlijk niet. De massa wil precies hetzelfde als de opgedirkte mevrouw uit het schemerige dropwinkeltje; de massa wil ‘hogerop’, de mevrouw wil ook ‘hogerop’, en het zal denkelijk slecht met ze aflopen. Maar dat is mijn schuld niet. Ik heb nog nooit iets ‘gedaan’, wilde niet ‘hogerop’, wilde geen massa en geen rijk kruidenierspand.
In deze grijze schoonste dagen van het jaar wil ik wat chrysanten, de nevels over het water en de gekleurde lichtjes boven de schepen. Wanneer het Andere komt, zal ik geen tijd hebben op chrysanten en de laatste mooie dingen te letten en ik zal wel oppassen om naar de masten te kijken, die dan toch al stukgeslagen zijn.
Maar elke dag heeft men nog een beetje leven. Met verrukkelijke druppels regen tegen de dubbele ruiten, met de wind, die ineens zacht en zoet is gaan geuren.
De mevrouw van de kruidenierswinkel heeft watergolf en een ontevreden gezicht, ontevreden plooien van vroeger al, die zelfs de heerlijkheid van het rijke, nieuwe pand er niet uit zal kunnen strijken. Verder heeft ze een slome, doodsbange man, die voor het rijtje ‘betere’
168