gelukkige blinde passagier der derde klasse van de Nederlandse Staatsspoorwegen, die als een misdadiger is weggeleid (nieuwe slag voor zijn zenuwen en huisgezin), mij alleen verwijtend aankijkt, omdat ik nog juist de dans ontsprong en hem niet eens de inhoud van mijn beurs - elf cent - heb gegeven, laat staan het volle bedrag der treinrit. Ik kan er niet tegen verwijtend aangekeken te worden, er vallen me dan direct verschillende dingen in die ik verkeerd gedaan heb of verkeerd zal doen. Er was iets met muizen. Ineens weet ik, ontnuchterd door het spoorkaartjes-intermezzo, precies en duidelijk dat die buitenlandse mevrouw doodsbang voor muizen is, een hekel heeft aan katten, dat zij warm en koud stromend water, moderne meubels en huistelefoon wenst en erg gesteld is op een deftige omgeving. Ik had de kamers met de aardige ouderwetse meubels, de humanistische vrouw en de mooie belletjes-katten zo goed als gehuurd.
Wanneer ik een uitvoerige uitlegging aan de wijze, theo-sofisch-uitziende vrouw zal schrijven, begrijpt ze me misschien. Wellicht begrijpt ze ook (ze leest Dickens toch niet voor niets), dat ik toch nog een opgetogen brief met dankbetuigingen heb gekregen voor het werkelijk gedistingeerde home, waar men Engels spreekt en bridge kan spelen met een ritmeesters-weduwe der Blauwe Huzaren en andere lieden van standing - het home tegenover de Carlevliets.
167