maar kijk versuft voor me uit en zie het kaartje op de grond, gewoon op de grond liggen, mijn eigen kaartje, een klein miezerig gaten-kaartje, mijn eigendom, een kleine vrijbrief om van onrust, boeten, leedvermaak-tronies en surrealistisch eindeloze railsvisioenen af te komen. Men kan het leven weer aan met een geknipt kaartje der staatsspoor.
Op dit ogenblik komt P. J. de Oude (de huisvader-zenuw-lijder) van zijn zakentournee door de derdeklascoupés terug, om zijn Beede om hulp-kaart terug te halen en eventuele bijdragen in ontvangst te nemen - op dit voor hem noodlottige ogenblik. Hij heeft al enige van zijn reclamekaarten in de hand, doch geen garnituren van welke aard ook, noch drukkers of elastiek - zelfs de uit voorraad overgebleven boordeknopen moeten ergens in een schimmenrijk-filiaal aanwezig zijn. Eens mogen deze artikelen een bescheiden bestaan gevoerd hebben op glimmende kartonnetjes in een bleekzuchtig armoedig garen- en bandwinkeltje, om via het faillissement langs de huizen een onwillig onthaal gevonden te hebben. Nu zijn er geen galanterieën meer, er is geen een boordeknoopje meer over.
Zelfs P. J. de Oudes hemdfrontje is van een boordeknoopje verstoken, zoals P. J. de Oude blijkbaar van alles verstoken is, menselijke welwillendheid, sympathie, verschoning (op hemdfrontjesgebied) en een spoorkaartje. Om van geluk helemaal te zwijgen. Geluk is soms een kwestie van aanwezigheid of afwezigheid op het goede ogenblik. P. J. de Oudes aanwezigheid valt in
163