gestrikt. Niemand kon eigenlijk merken dat ik met een dubbeltje en een cent in het ongeluk zat. Ik ben koortsachtig het vervloekte kaartje overal aan ’t zoeken - in mijn sjaaltje, dat een touw is geworden, in mijn handschoenen, die in goedkope slappe onooglijke vodden zijn veranderd. Mijn haar hangt in vochtige slierten om mijn bonzend hoofd. De inhoud van mijn tas ligt tot vreugde van mijn medepassagiers, die iets beginnen te merken, boven op mijn knieën, voor iedereen te zien. Het lommerdbriefje natuurlijk het eerst - dat is er - ‘Stadsbank van Lening’ voor iedereen duidelijk te lezen, voor elk van die meedogenloze krokodillezielen, die tuk zijn op hun kleine new sensation. Het is vreselijk te midden van poederdoos, lippenstift, zakdoek en sigaretten de vele adressen der hospita’s in wilde chaos terug te zien als in een surrealistische avant-gardefilm - doch geen spoorkaartje te ontdekken. God, wat begreep ik de theoso-fisch-uitziende vrouw in haar muizenbescherming (ook mijn kat krijgt een belletje om) - ik ben zélf een muis en er is geen gat om te verdwijnen en geen spoorkaartje om de kat, ik bedoel de conducteur, mee te verzoenen.
‘Nou, Juf, u schijnt de tijd te hebben,’ informeert vuil-vals de conducteur, die al lang bij me staat - een eeuwigheid staat daar een conducteur, een man in staatsdienst met vast inkomen. Ik denk aan een Tarnkappe, die volgens een oude legende onzichtbaar zou maken. Waarom vinden ze nu niet eens zo iets prettigs uit, in plaats van radio’s en mosterdgas. Ik denk aan boete en uitstappen en ergens op de rails staan - ik denk helemaal niet meer,
162