leven, dat willen we allemaal - we hebben zo weinig tijd. Eigenlijk benijdde ik die buitenlanders al - bij die mooie vertrouwelijke katten te zijn, die met speels belgerinkel voor hun innerlijkste dierwezen waarschuwden, bij de humanistische, zachtogige vrouw inwonen, die helemaal haar eigen gezicht droeg, zonder portemonnaie-masker, stands-masker of martelaars-masker. Ze vroeg alleen: ‘Houden die mensen ook van dieren?’ zoals anderen gevraagd hadden: zijn ze van de P.G. of R.K. of liberaal of wel rood, groen, zwart of bruin.
Ik had een paar vreselijke uren achter de rug. Had door verhuurlabyrinten van domheid, enghartigheid en ongoedheid gedoold. Hier was de lucht klaar en rein (de katten werden door de vrouw en een model-kattebak-centrale verzorgd). De vrouw met het zachte uiterlijk was echtgenote en moeder geweest, zonder er veel ophef van te maken, zodat men niet het klassieke verhaal van de bovenaards goede - of slechte - echtgenoot te horen kreeg, noch lofliederen op onbekende kinderen, die zo begaafd en oppassend waren en het zo ver gebracht hadden. Ze bood een kop thee aan die geen persoonlijke belediging was, doch geurig, sterk en precies goed van kleur. Natuurlijk huurde ik die kamers direct. Waar vindt men echte menselijkheid gecombineerd met volmaakt gezette thee, behoorlijk onderhouden, doch niet al te overdreven glimmende meubels uit het - laatste -goede tijdvak tussen 1840 en 1860, en gevoel voor humor, dat ontegenzeglijk de sympathie voor Shilas Wegg meebrengt? De katten moesten tot afscheid alle
157