over een tanig, bekrompen damesgelaat, over muffe, burgerlijke voornaamheid, het huis van de Carlevliets, en de dwaze conversatie-gezichten van de guests die juist binnenkomen, teneinde gezamenlijk om zes uur vijftien minuten het dinner tot zich te nemen.
Na nog enige fnuikende ondervindingen, die in mijn geheugen genoteerd staan als muzikale familie met vleugel en fluitspelende lyceumscholier, lelijke bel-etage met kef-hond, dame met open been dat bekeken moest worden, belandde ik dan bij die theosofisch-uitziende vrouw. Het was er stil, zacht en goed. De mooie katten met rinkelende belletjes snorden lief en tevreden. De vrouw las in ‘Onze wederzijdsche vriend’; ze kende niet eens genoeg Engels voor ‘Our mutual friend’. Maar om de gezellig schurkachtige eenbenige Shilas Wegg kon geen leraar M.O. Engels meer plezier hebben gehad. Ze droeg een bril met nikkelen montuur, had bruine menselijke ogen en deed geen onkiese en onnodige vragen naar geloof, stand, financiën, fatsoenlijkheid of onfatsoenlijkheid. De katten droegen die belletjes om de muizen voor zichzelf te waarschuwen. Ze hield die katten alleen uit goede smaak en liefhebberij, niet als nuttige huisdieren, mui-zenvangers genaamd. Want muizen zijn - alle stomme krijsende juffrouwen ten spijt - tere kleine bontleventjes met glanzende doodsbange oogjes; ze ritselen een beetje waar wat voedsel of krantenpapier is, meer doen ze werkelijk niet - en dan nog eventjes aalglad en heel vlug leven. Nu, dat zouden die verre buitenlanders waar ik voor kwam, denkelijk ook willen, aalglad en heel vlug
156