se familieleden. Ik denk dat een geraffineerde duivel uit de diepste onderwereld ternauwernood zulk een straf zou kunnen bedenken - het verhuren van kamers aan verre vreemdelingen, die dus dubbel vreemdeling zijn. En ik zal daar een soort impresariorol bij moeten spelen, zonder de aansporende tamtam en reclame, die anders inherent zijn aan deze bemiddelende functie.
Zou een impresario ooit derde klasse reizen en erop letten, dat iemand met een gleufhoed scheef op zijn hoofd midden op de dag trompetachtig snurkt met zijn gezicht tegen de versleten voering van zijn opgehangen overjas -zou een impresario hier prompt moedeloos van worden? Wat begint mijn onderneminkje al beroerd! En nu wij toch onder elkaar zijn, u en ik en mijn imaginaire impresario, kan ik meteen de openhartige vraag stellen: Zou een impresario ooit verlegen zijn en zich generen voor de rare, pijnlijke en onverwachte dingen, die een ander doet in zijn onschuld, zijn narigheid en zijn eenvoudige ver-huurders-menselijkheid? En zelfs wanneer een impresario zich generen mocht - alles is mogelijk, een mens is een mens - zou hij dan een kleur krijgen en onuitvoerbare beloften doen uit medelijden met de zieligheid van anderen? Och wat, hij zou enige passende woorden en een boeket bij de hand hebben, de impresario, en die zonder blikken of blozen overreiken bij de ergste blunder en verder afwachten hoe het met de kassa gaat. En vooral geen onuitvoerbare beloften doen, die met contractbreuk op één lijn staan. Noch zich laten vertederen door drie katten met rinkelende belletjes om, tenzij deze
149