dieren de reclame, de roem en de recette zouden ten goede komen. Maar de danseres moet prima zijn, bij de gratie Gods, die van het publiek en der toonaangevende bladen — dan pas zouden drie van belletjes voorziene poesen te pas kunnen komen, om de charmes, de foto’s en het liefderijke innerlijk van de geïntroduceerde luister bij te zetten. Doch geen menagerie ter wereld zou baten, wanneer ongunst van het publiek, kilte der kritiek en leegte der kassa de ongelukkige mochten treffen - zelfs Gods gratie niet.
Bij een hospita is het meestal brandhelder of tamelijk vuil, wat beide verschrikkelijk is. De brandhelderen zijn schriel, bekrompen van geest, hard van gemoed en afschuwelijk rechtvaardig. De nogal vuilen (hier in Holland kent men het begrip volkomen vuil niet) zijn goedlachs, royaal van aard, een beetje leugenachtig, een beetje diefachtig en in nooit ontwarbare netten van voorschotten verstrikt. Bij beiden krijgt men een burgerpot, die sinds generaties zonder fantasie en met veel reuzel en maizena wordt samengesteld en vermoedelijk door het laatste gruwelijk feit ‘degelijk’ wordt genoemd. Verder zijn hospita’s zwaar in het leven teleurgestelden, haar jeugd, liefde en andere wensdromen zijn meestal in neurotische traumata ontaard, een toestand, die ze wantrouwig, onrustig en vooringenomen heeft gemaakt.
Hoe groot was mijn verrassing dus een bejaarde vrouw aan te treffen, waar iets theosofisch van uitging en die geen onkiese vragen deed naar stand, geloof, echtelijke staat, beroep of politieke richting der huurders. Ze stoot
150