me van top tot teen in nieuwe kleren steken, allemaal zij en fluweel. Oggot, een bontbolero’tje kreeg ik ook, hier is het portret. Eens kwam uw vader mee. Waarom moest die ellendeling nu juist zoiets gemeens van me zeggen? ‘Een plat hoofd,’ zei hij.’ Het portret was wel erg vergeeld. Ja, Toulouse Lautrec, een matelot-hoedje op een louche plat gezichtje, dat toch ergens een soort van ordinaire charme bezat voor niet al te kieskeurige lui, een smal elegant figuurtje in het bontbolero’tje, naar het scheen de droom van de mondaine vrouw uit die tijd.
‘Even leek het leven mooi en rijk, net als in de opera waar ik figureerde. Voor een paar weken. Toen was alles voorbij, dank zij uw vader. Hoe lang moet ik nou al tegen die rottige ouwe kerk aankijken!’ Ik nam de kerk in bescherming en herinnerde haar eraan, dat ze zelf eerst het uitzicht zo geprezen had.
‘Mij een zorg, het uitzicht op dat saaie ouwe gebouw en al dat rapalje. Zou uw moeder in die verveloze uitgewoonde donkere kast hier haar hele leven doorgebracht willen hebben en als maar aap wat heb je mooie jongen spelen tegen al dat gespuis, omdat je van ze leven moet en die je als hun natuurlijke vijand beschouwen - maar hoe ik ze haat, nou, dat weet God alleen.
‘En ik had ook een mevrouw kunnen worden, in satijn en fluweel en bont, net als uw moeder; o, ik heb ze wel gezien toen ze verloofd waren, uw vader, Ad-die (met spottend overdreven klemtoon) en dat jonge knappe zorgeloze ding. Ik heb ze gezien en vervloekt,’ siste de stem en ik wist van louter narigheid niets anders te zeggen dan:
143