Een week of wat later vroeg zij me onverwacht met een loerende blik: ‘Had u soms een vader die Addie heette?’ Toen lette ik voor het eerst goed op het gelaat. Eigen-aardigerwijs had ze nog geen grijs haar, al liep ze tegen de zestig, en geverfd was ze ook niet. Het gelaat deed, zelfs nu nog, aan vrouwengezichten van Toulouse Lautrec denken, canailleus, enigszins afgeplat, de mond een spleet in het gezicht - een gevaarlijk soort mond. De ogen stonden wat scheef en waren smal en van een troebel bruin.
‘Ja,’ antwoordde ik, ‘mijn vader werd wel eens Addie genoemd.’
‘Die Addie met zijn lieve naampje heeft anders mijn levensgeluk gestolen, om zo te zeggen.’
‘Mijn vader?’ vroeg ik dodelijk verbaasd en ontsteld en helemaal niet begrijpend.
‘Nee, niet wat u misschien denkt,’ begon ze op gerekte toon te vertellen. ‘Ik bestond als vrouw eigenlijk niet eens voor iemand als uw vader. Hij vond me alleen maar niet goed genoeg voor een van zijn vrienden en daarop is alles kapotgegaan.
‘Ik werkte in het koor van de opera, heel netjes hoor. Ik kreeg wel eens aanzoek van snotjongens en gewone mannetjes - ik had sjans - maar die waren me veels te min. Toen kwam die vriend van uw vader en dat was een héér, een lange slanke heer, en voor het eerst van mijn leven kreeg ik bloemen uit een fijne zaak met paarse linten en flessen parfum met Franse namen erop - van de amour en zo. Op een dag nam hij me mee en ik mocht
142