nette’ heren op achtentwintig de oude juffrouw lelijk hadden toegetakeld met het gevolg dat de ene kostganger een zenuwtoeval bij haar in de bakkerij had gekregen en de andere drie weken gevangenisstraf wegens het toebrengen van lichamelijk letsel. ‘Maar dan heeft die juffrouw toch niets gedaan?’ vroeg ik. ‘Wacht u maar af. Bij die slang is nog nooit iemand langer dan drie maanden gebleven,’ zei de bakkersvrouw duister en er volgde een ingewikkeld verhaal, dat blijkbaar onder de criminele paragraaf van huisvredebreuk viel en in ieder geval met een justitieel vonnis besloot. Dromerig vervolgde ze: ‘En dan die mooie jonge rossige dame, laatst zag ik zoiets op de film, ook zo’n soortement bloedzuigster als die ouwe . . .’ Een nieuwe taartjesklant bespaarde me de rest van het drama.
Toevallig balde de oud-testamentische mandenmaker diezelfde dag weer zijn vuist tegen de rug van de oude juffrouw, toen deze argeloos en met een precieus gebaar brood voor de vogels brokkelde onder de boom voor haar huis. Ik begreep niets van de waarschuwingen en gebalde vuisten en duistere voorspellingen, ik mocht mensen graag, die goed voor dieren waren - en ze was dol op haar parkietjes, goudvissen en katten, een zwarte en een witte - ze legde het ook uit met haar schorre sissende stem: ‘Van dieren heb je niks als dankbaarheid en gehechtheid, van mensen kun je het ergste verwachten, mensen zijn tuig.’ Op mijn antwoord dat er toch ook wel aangename, charmante en gevoelige mensen waren, zei ze stug en kort: ‘Dan heb je het getroffen.’
141