eeuwenoude balkenzoldering en wat huisraad uit de vorige eeuw, de canapé met de krullende lijn en het versleten rode pluche en wat daar verder bij hoort. Uit de bovenvoorkamer zag je dan uit op het verweerde kerkje en het marktgedoe eromheen. De juffrouw sprak lang over het uitzicht, alsof ze het zelf gemaakt had en bracht het in rekening bij de kamerhuur. Eerder dan het gelaat viel me de stem op: schor en sissend, ik dacht even: de oude dag en wat verkouden en was terstond weer onder de bekoring van dat brok oude gracht. Op de een of andere manier paste ze bij die gracht; was het misschien de gebogen rug, die harmonieerde met de ronding der oude bruggen of de sfeer om vrouw en gracht beide: oud, verweerd, vreedzaam, stil en toch ergens een verborgen gevaar? Vrij steil liep de brug op en een soort fabelwezen hielp zwaar beladen karren mee optrekken om over de brug te komen, een klein fabelwezen, dat direct na volbrachte arbeid zich op het hoogste punt posteerde, in roerloze rust in het water staarde en alleen met ritmische regelmaat zijn hoofd bewoog ten einde een straal tabakssap in het water te spuwen, om dan als een duivel uit een doosje bij de volgende kar weer aanwezig te zijn. Dit fabelwezen vroeg me op een dag: ‘Woon je bij de gifmengster op achtentwintig? Pas maar op! Ik heb niks gezegd.’
De blozende bakkersvrouw op de hoek werd iets duidelijker de derde keer dat ik taartjes bij haar haalde: ‘Kunt u het nogal schipperen op achtentwintig?’ begon ze diplomatiek en het verhaal eindigde dat twee ‘keurig-
140