ternauwernood aan de slikkige vettige rand kon vastklampen om niet te verdrinken in het element van mijnheer en mevrouw Turfmans.
Maar men heeft eerbiedwaardig wit haar gekregen of helemaal geen haar en men heeft al die tijd Dien en Wim op enkele hebbelijkheden na, die men zelf ook heeft, zo kwaad nog niet gevonden.
Men heeft dan bij taai gestel nog een jaar of tien of vijf te leven. En dan is de tijd gekomen om met krakerige stem een beetje ontroerd met het voorstel te komen, elkaar nu maar eens bij de voornaam te gaan noemen. Het vuur zal even in de open haard opflakkeren - hopelijk zijn radio’s en centrale verwarmingen dan tegelijk met de ideologieën opgeruimd -, men kijkt goedmoedig naar elkanders gerimpelde gezichten en wetende ogen en men zal zeggen: ‘Wat ben jij nog kras en handig Dien, om voor je hele familie sokken en vesten te breien en Wim heeft nog fijner neus voor een goed glas wijn dan vijfendertig jaar geleden.’
En men zal kort daarna op de linten van de grafkrans die men behoort te geven ‘Rust zacht, beste Wim of Dien’ laten zetten in gouden letters.
Het zou immers onjuist en zelfs ongevoelig zijn ‘Rust zacht, mijnheer of mevrouw Turfmans’ te wensen.
138