te worden. P. J. de Oude heeft geen geluk, zoals ik reeds zei. Waarom staan de andere derde-klassers niet geestdriftig als één man op, om gezamenlijk een spoorkaartje te kopen voor een zenuwlijder, tevens huisvader? Er bestaat geen geestdrift meer, het is voorbij met de schone gevoelens van broederlijkheid en mensenmin en solidariteit - twee jeugdige onverlaten hebben zelfs de treurige moed zachtjes te zingen: ’we gaan maar loóoópe’ — een ellendig gezang, waarop reeds lang enige tuchthuisstraf met verlies van burgerlijke ererechten moest staan. Doch men schijnt zijn eer eerder te verliezen bij ontstentenis van een spoorkaartje.
Soms zijn derde-klaspassagiers wèl zo, om iets met een hoed te doen, joviaal, luidruchtig en hulpverlenend. Maar is P. J. de Oude nog te helpen? Derde-klaspassagiers zijn mensenkenners. Lang nadat de huisvader-zenuwlijder weggeleid is, komt er een traag gesprek los — traag en troosteloos als de motregen, die zoéven zo hun aandacht trok: ’As je hem nou helpt, overkomt het hem strakkies weer — en de Spoorwegen verdienen er alleen aan, motten wij die nog helpen? En laat ie dat nou al zowat drie jaar volhoue, met zijn Beede en zijn dalles... kaartje legge?’
Ergens zal P. J. de Oude nu tussen eindeloze rails staan, onder eindeloze motregen...
Verdwenen was het zeldzame gevoel van luciditeit, dat men soms zo sterk hebben kan bij enkele schone of een-voudig-menselijke ervaringen. Ik verbeeld me dat de ongelukkige blinde passagier der derde klasse van de Nederlandse staatsspoorwegen, die als een misdadiger is weggeleid [nieuwe slag voor zijn zenuwen en huisgezin], mij alleen verwijtend aankijkt, omdat ik nog juist de dans ontsprong en hem niet eens de inhoud van mijn beurs — elf cent - heb gegeven - laat staan het volle bedrag der treinrit. Ik kan er niet tegen verwijtend aangekeken te worden - er vallen me dan direct verschillende dingen in,