dat zal niet gaan.’ Zó de conducteur, waar P. J. de Oude een welkome prooi voor is na zijn échec met mij. Mijn God, een prooi in een haveloos jasje met niets, met minder dan niets. En ik — één ogenblik, tot mijn eer en verontschuldiging moet ik toegeven, een ondeelbaar ogenblik -ben ik blij, ik te zijn mèt een kaartje en de vrijheid zoals de gnuivende medepassagiers, die ik zoëven nog verafschuwd heb om hun nieuwsgierige sensatiezucht bij mijn eigen kaartje. Zoëven was ik P. J. de Oude - iedereen is soms P. J. de Oude of de conducteur of een contourloze medepassagier... P. J. de Oude zoekt met natuurgetrouwe schijnbewegingen in zijn zakken, zijn vingers komen er aan de andere kant weer uit, zelfs zijn zakken zijn niet van deze aarde, doch schimachtige aanduidingen, gaten genaamd. ’Wat nou, wat nou,’ stamelt P. J. de Oude en hij doet verbaasd, en niet, of hij gewend is aan zijn beroep, het schimmenberoep van niet-voorhandene-waren-verko-per te zijn. Ergens heeft dit beroep in P. J. de Oude’s kern gezeten, toen hij een jaar of tien was. Men wordt niet van vandaag op morgen filiaalhouder van niets, lid van de Tweede Kamer, filiaalhouder van alles, petroleummag-naat of vleeshouwer. Onbewust heeft iedereen zijn kern in zich, zo om en bij het tiende levensjaar, sommigen nog eerder, anderen wat later, enkelen zelfs bewust, die definitief tramconducteur, politieagent of kampioen in het een of ander wensen te zijn.
P. J. de Oude’s kern heeft hem nu tot dit treinkaartjes-delict geleid - het zal hem naar nog ellendiger dingen leiden. Nergens ligt een ongeknipt treinkaartje op de grond, in mijn portemonnaie bevinden zich een dubbeltje en een cent — de medepassagiers gaan nu de beregende coupévensters uitstaren. God, wat heb ik een hekel aan medepassagiers. Ze zouden wat samen kunnen leggen voor P. J. de Oude — met een hoed rondgaan, fideel en een beetje sympathiek. Ik zou desnoods mijn lommerdbriefje en mijn portemonnaie kunnen tonen, om niet van onwil verdacht