menrijk-filiaal aanwezig zijn. Eens mogen deze artikelen een bescheiden bestaan gevoerd hebben op glimmende kartonnetjes in een bleekzuchtig armoedig garen- en band winkelt je, om via het faillissement langs de huizen een onwillig onthaal gevonden te hebben. Nu zijn er geen galanterieën meer, er is geen een boordenknoopje meer over.
Zelfs P. J. de Oude’s hemdfrontje is van een boordeknoopje verstoken, zoals P. J. de Oude blijkbaar van alles verstoken is, menselijke welwillendheid, sympathie, verschoning [op hemdfrontjesgebied] en een spoorkaartje. Om van geluk helemaal te zwijgen. Geluk is soms een kwestie van aanwezigheid of afwezigheid op het goede ogenblik. P. J. de Oude’s aanwezigheid valt in een voor hem zeer ongunstig ogenblik. Het is een dier noodlots-momenten van de wereldgeschiedenis, waarop het Fatum van twee klassen en twee mensen in onvermijdelijke botsing komen, in casu het Fatum van bezoldigd staatsambtenaar en onbezoldigd misérable. Hij had er niet moeten zijn — ver weg had hij in het droomfiliaal moeten blijven, dat niet door een enigszins uit zijn evenwicht gebracht conducteur verontrust kon worden - een conducteur, die zoeven iets te gemeenzaam ’Juf heeft gezegd tegen een door de Staat gevrijwaard persoon met een kaartje. Wij zijn allen maar mensen - P. J. de Oude, mijn medepassagiers, de conducteur en ik. Mijn medepassagiers krijgen nu toch, in ietwat gewijzigde vorm, de kleine sensatie, die een miezerig treinreis je wat afwisseling kan geven, want ergens is het toch niet zó leuk, dat P. J. de Oude geen treinkaartje heeft. Als een talisman, die alle moeilijkheden kan oplossen, laat hij uit kracht van gewoonte stuntelig-onwillekeurig een van zijn beduimelde reclame-kaarten zien. P. J. de Oude wordt nog veel gemeenzamer behandeld dan ik zoëven: ’zeg, vader, laat nou ereis wat anders zien as je receptiekaarte, kom op met je kommetje, ouwe. Geen kaartje, hè vader, kom dan maar es met mij mee,