heid. En geen vaderlijke chauffeur, die je bij je arm uit zijn taxi haalt, of je breekbare waar bent, en nog aan je paraplu denkt, die je anders vergeten had. Zelfs geen vriendelijk glimlachje van de tramconducteur, want je bent een mens zonder fooitje. En het pindamannetje bij het station strak voorbij lopen - ook dat schiet er niet op over vandaag — het pindamannetje, dat voor 3 centen een glimlachje heeft als een lief, verschoten cadeautje. Maar alles is tot dusver goed gegaan - wanneer men zoiets goed noemen kan - en men is nu aan zijn retourtje toe. Bij een retourtje moet ik altijd aan tantes met rheumatiek denken, die niets voor je meebrachten en in iets provinciaals gekleed waren. Ik geloof, ze kwamen uit Utrecht, werden uiterst vriendelijk bij ons thuis ontvangen en lieten kleine erfenissen na, zoiets van 268 gulden na aftrek der kosten. Nooit heb ik iets van zulk een erfenis gezien, laat staan gehad. Ik weet precies, wat ik voor ƒ 268.— zou kopen: voor 46 gulden is er een Japanse tekening te krijgen, een hert met een paar herfstbladeren. Men kan de pootjes van dat hert niet beschrijven, daarvoor zou men zich in Japanse karakters moeten uitdrukken — een enkele dichter zou het misschien met een kwatrijn kunnen doen. En voor de herfstbladeren zou, vrees ik, het kwatrijn zelfs ontoereikend zijn — ze dwarrelen ergens boven uit de herfst stil neer. Dan had ik nog ƒ 222 - over. Voor alle zekerheid zou ik daar twee sweepstake-loten voor nemen — wanneer het geluk eenmaal met je is, blijft het bij je -hoe heet het ook weer zo raadselachtig wreed, verlokkend en eigenaardig onlogisch in het Boek der Boeken: ’Wie heeft, dien zal gegeven worden, wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook wat hij heeft...’ Van de ƒ 213-, die over zijn, besteed ik ƒ 13,- aan kleinigheden - om een mooi rond getal over te hebben — parfum, poeder en het gouden armbandje uit de Bank van Lening halen, o nee, óf parfum en poeder óf het gouden armbandje, ik heb er ƒ 12,50 op gehad. Goud is altijd goed voor de Bank van