visioen van de komende luchtoorlog — het komt me oneindig avontuurlijk voor met al de wijn die ze nog voor me overgelaten hebben en een mud aardappels en goudreinetten te gaan kamperen in die geheimzinnige kelder met Leen, Annie, Karei en ook Piet erbij - ontsnapt als ik zoeven ben aan de alomtegenwoordige mevrouw. °t Is maar geen fijne bajes, ’ zegt Piet nog eens met nadruk en in het volle besef er nu ook bij te gaan horen. Ze laten me het huis zien of het ‘van hun’ is en ze het me op de een of andere manier moeten aanbevelen, knippen het licht in alle lampen aan, terwijl het nog dag is en zo komen we weer in de kamer met de ronde tafel terug.
Toch hebben die vier dagen me meer aangepakt dan ik dacht-toch is het onaangenaam contracten te tekenen waar je heerlijk reizen voor zou kunnen maken, om dan stiekem bij jezelf weg te lopen.
‘Ze is wat flauwig,’ hoor ik uit een donkere verte Leens diagnose, en ik weet niet uit wiens glas ik de Haut Sauternes te drinken krijg. Maar ze stroomt oneindig weldoende door mijn bloed en ik houd het glas een paar maal bij. ‘Nog zo’n flessie van die witte,’ commandeert Leen en Piet schijnt toch werkelijk erbij te horen; hij komt met twee flessen terug en schenkt keurig voor iedereen in, hij neemt voor zichzelf nu een theekopje - dus is het Piet z’n glas waar ik uit te drinken krijg. En voor de duivel, wat doet het ertoe uit wiens glas je drinkt, wanneer je terugkomt uit een kille leegte met deftigheid en schimmen van baronnetjes.
‘Maar een geluk, mens, datje het nog op tijd in hebt gezien en ’em gesmeerd bent,’ constateert Leen met voldoening. ‘Hei je tenminste je cente nog in je zak gehouwe?’ ‘Mijn centen?’ vraag ik suf, nog wat licht in het hoofd door de wijn na al die emoties. ‘Ja, de huur voor dat sofhuis,’ zegt Leen. ‘Die hebben ze voor een halfjaar te pakken, juist de dag voor ik zo plotseling ben weggelopen.’ Wat nu volgde vond ik heel vreemd. Piet zei telkens: ‘Godzamme,’ niets anders, en de anderen beklaagden me met zulk een hartstocht en onzelfzuchtigheid dat ik eindelijk een beetje ging huilen. ‘Oggod, nou ken je je zomerreisie niet doen, ’