overspannen menschje, voor wie de ontgoocheling, dat zij niet met den vermaarden belezer, doch met een gewoon nuchter mannetje, een eenvoudigen drukker, sprak, wel fataal kon zijn. Ginds lag het kind, misschien wel onbewaakt of onder de zorgen van alles probeerende, het wicht als-maar sjokkelende en sussende buurvrouwen.
Hij begreep: hier moest gehandeld worden. En hij besloot de wetenschap der suggestie toe te passen. Hij liet fluks een stoel neerzetten voor zijn „cliente”, haalde een dikken Echo-roman „De Doodenvelden van Siberië” van een plank en begon de eerste bladzijde te neurieën, wel zorg dragende, dat het vrouwtje niets van de woorden te hooren kreeg. Hierna trok hij op een stuk papier eenige geheimzinnige cirkels en driehoeken en gaf dit aan het vrouwtje met den raad, maar spoedig naar huis te gaan om te zien of het kind al wat beter was.
Het moedertje was opgelucht en dankte den vermeenden Coetinje wel honderd keer tot zij hem ten slotte vroeg, demonstratief haar geldbeurs voor den dag halend, wat zij hem schuldig was. Nu werd het den pseudo-bezweerder des Boozen Oogs toch wel wat benauwd en met een nobel gebaar wees hij iedere geldelijke belooning af.
145