staan uit hun zielloozen toestand om te gaan bidden. Bidden. . . . waarom? Om leven? Om gezondheid? Om broodwinning misschien of om herstel van een ziekte? Of zouden zij niet bidden, doch loven? Wien? Den Heer van Leven en Dood, die hun het felschitterende, warme leven ontnomen had en hen gestort had in de grauwe koude aarde, dood en zielloos, aas gelijk?
Wij waren jong en slechts het leven leek ons be-geerenswaardig. Wij citeerden oude, heilige boeken, waarin het leven bejubeld wordt en spotten met de sententie van den Prediker Koheleth, dat het beter is, zich te begeven naar het huis van een rouwbedrijvende, dan naar het huis, waar een feestmaaltijd gehouden wordt. Alleen het leven had waarde voor ons en de dood was afschuwwekkend. . . .
Zoo praatten wij voort en het was diep in den nacht, toen Jitschok en ik afscheid namen van Chio. Wij woonden in dezelfde straat, waar ook de synagoge stond. Onderweg spraken wij nog wat na over het dien avond behandelde en waren tot aan de synagoge gekomen.
Door de vensters zagen wij het licht van de eeuwige lamp en het was alsof zij sterker straalde dan anders.
Jitschok, de spotter, stelde voor, een drietal
138