DE SPOTTER.
„Lach niet”, sprak de oude man, met wien wij dien avond in oud-vergeelde boeken gelezen hadden. „Lach niet om wat jelui met je wijden blik bijgeloof wenscht te noemen. Ik was zooals jelui, ik lachte óók om wat mijn gezond verstand mij als ridicuul en onzinnig trachtte voor te stellen. Tot ik leerde, dat wij niet mógen lachen om dingen, die ons door de traditie van eeuwen bekend zijn, al schijnen ze ook nog zoo lachwekkend, al ligt het onlogische, het bijgeloovige er ook duimen dik bovenop.
Het was in den tijd, dat de „Aufklarung” doorgedrongen was tot in de stoffigste jesjiba van den duistersten hoek van het onbeschaafde Rusland. Ik woonde indertijd in Zfas en was een ijverig aanhanger der moderne richting. Urenlang debatteerden mijn studievrienden en ik over de vele en wijd-uiteenloopende onderwerpen, waarop wij ons met hunkerend verlangen naar méér kennis, naar méér wetenschap geworpen hadden.
Niet zelden kwam het voor, dat wij bijeen bleven tot twee, drie uur in den nacht en onze discussies dan op straat voortzetten totdat wij voor de deur van een onzer afscheid van elkaar namen.
135