néérzinkt, ontzield. . . .
Geen Moeder laat zich door een angstigen ko-ning weerhouden te voeden den vrucht van haar lijf. Gij hebt mij en mijn volk mijn knaapje ontnomen, maar zijn ziel zie ik wenkend in de diepte des strooms.
Gij zijt ontaard, maar geen moeder uit Israël, die den roep van haar kind vergeefs laat weerklinken. Mijn kind krijt om voedsel op den bodem der rivier. Gij, koning, hebt niet zijn leven gewild, ik zal den dood niet mijden. ... Ik zal naar mijn kind gaan. . . . het verzorgen en zoo-gen....
Onheilspellend waren donkere wolken komen aandrijven boven de plaats, waar de moeder, heftig, haar vervloeking had geuit. Een enkele plons, een opspatten van water, dan — een ra-zend-vlugge vuurslang, die de hemelen splijt, een overweldigende donder, een angstig rui-schen van palmen en riet. . . .
God heeft met machtige stem en vurigen adem het vonnis geveld, geëischt door een moeder, onvruchtbaar door moord. . . .
134