oogenblik de prooi zou kunnen worden van een verraderlijke, slijmerige slang, die het in de kronkels van haar wriemelend-kruipend lichaam te pletter zou drukken, of waar een valsch loerende, gevlekte hyena het zou kunnen vinden om het in enkele bewegingen van zijn wijden, hongerigen bek, fijn te kauwen en te verslinden. De angst om haar kind overstelpte haar. Het eene afschuwwekkende visioen na het andere kwam haar overvallen en benauwde haar tot stikkens toe. Kracht vindend in de overgroote liefde tot het licht haars levens, verliet zij haar huis om te zoeken langs de rivier. . . . misschien had men haar kind niet meedoogenloos omgebracht ....
Koel streek de nacht langs haar gloeiende slapen. Zonder haar schreden ook maar een oogenblik in te houden, ijlde zij voort. Geen vrees kon haar weerhouden om door beken te waden, geen pijn om over puntige rotssteenen te klimmen. Haar oog zocht speurend de velden af, waarop het maanlicht viel. Bovenmate spande zij haar gehoor in om te vernemen of niet ergens zwak kindergeschrei klonk. Maar waar zij ook zag, geen levend wezen was te onderscheiden en hoe zij ook luisterde, geen enkel geluid verbrak de stilte, die een geheimzinnige stemming over het
131