bij, of het met zooveel liefde getorschte en in vreugdevolle hoop moeizaam gebaarde jongske was weggerukt van de angstig hijgende borst der moeder, om vernietigd te worden als zoovelen. . Een koortsige wraakgedachte was zich komen vestigen in de hersenen der geknakte vrouw. En deze gedachte was het, die, machtiger dan de slaap, haar wakker bleef houden.
Maar hoe zou een zwakke vrouw wraak kunnen nemen op een machtigen heerscher, onbereikbaar voor zijn onderdanen, vereerd als een afgod in den wijden kring zijner raadsheeren, die zich wel wachtten een raad te geven, die niet tevoren reeds door den koning in hun mond was gelegd, en door waarzeggers, die den vorst de waarheid niet durfden zeggen, uit angst voor zijn wrekende, genadeloos-straffende hand.
De wraakgedachte der vrouw werd af en toe verdrongen door de moederlijke teederheid, waarmede zij aan haar borelingske dacht. Een heftig verlangen naar het haar ontroofde kind zetelde zich in haar hart. Een verlangen, dat niet te bevredigen was. Zou het mogelijk kunnen zijn, dat men het knaapje had laten vallen op het oeverzand der rivier? Misschien leefde het dan nog wel, lag het in den koelen nacht eenzaam en onbewaakt op het veld, waar het ieder
130