einden. Zijn jesjiba stond weer voor een ieder open en hij liet behoeftige jongelingen op zijn kosten onderrichten. En iedereen was verheugd. Om zijn behouden thuiskomst te vieren, richtte hij een groot feestmaal aan en noodigde de ge-heele stad uit om er deel aan te nemen. En toen men vroolijk aan tafel zat, stond de Raaw op en sprak:
— Mijne vrienden, daar Hij, wiens Naam eeuwig geprezen zij, mij geholpen heeft in den nood en mij weder veilig dit huis heeft doen bereiken, zoo heb ik een gelofte gedaan om in deze stad een fraaie sjoel te bouwen. En alle steenen, die daarvoor benoodigd zijn, zal mijn eigen ezelin aandragen.
Deze ezelin was natuurlijk zijn vrouw. Doch de anderen wisten niet, dat hij zijn vrouw veranderd had in een ezelin. En zijn gasten antwoordden hem en zeiden:
— Moge de Heer, onze God, u sterken, opdat gij uw taak spoedig zult mogen volbrengen in vrede en gezondheid.
De ezelin had inmiddels flink gevreten en was dik geworden. En zij was onbeschaamd, als een echt stuk vee.
Toen de Raaw evenwel begon, haar steenen te laten vervoeren werd zij mager en haar gewicht
107