Nu mijn gedachten heen en weder wiegen, Komt in mijn ziel een wonderlijke vreugd .. . Ik speur hoe klare klanken in mij vliegen,
Zich rijend tot een zang, die ’t hart verheugt.
’t Is of een vogel, schuw, met tusschenpoozen, Heel aarzlend nog, begint zijn zomerlied.
Ik snuif den geur van gloeiendroode rozen En hoor het ruischen van het hooge riet.
Ik waande reeds dien klankenschat verloren En dacht, het blijft wel altijd in mij stil. . . Doch plots is het nu toch in mij herboren, Zoodat ik zingen, juichend zingen wil.
Nog drupt de koele regen langs mijn ruiten, Maar in mijn hart klimt staag het zonnelicht En lokt mij met zijn zwijgend lied naar buiten, Waar alles zich naar ’t lentewonder richt.
Laat mij thans stil aandachtig blijven luistren . . De wereld scheen zoo straks nog leeg en hol. Plots kwamen teedre klanken mij omfluistren En zie, nu is ’t heelal van zangen vol!
En gansch de aarde siddert van verlangen,
Nu zij verneemt dit zegenend geluid En tooit zich om het wonder te ontvangen En is gelukkig als een jonge bruid.