1-2
.ותפלהT •
Onder Eeredienst verstaan wij het groote geheel der gebeden, lofzeggingen, voordrachten en ceremo-niën, die wij dagelijks, op gewone en buitengewone tijden, bij onze verschillende lidstonden verrichten.
Reeds hebben wij kennis gemaakt met de alge• meene bepalingen omtrent deze bidstonden (1,18-19 en II, 7 — 8), alsmede met een opgave van de voor-naamste bestanddeelen van onzen eeredienst (II, 9-10) Thans willen wij, getrouw blijvende aan de volgorde! bij die opgave in acht genomen, ieder dier bestand• deelen met enkele daaromtrent geldende voorschriften nader omschrijven.
A. HET OCHTENDGEBED.
•ברכות השחר .!
1. Het loflied □1"?)אדון ע, waarmede men bij het ter ruste gaan en na het weder ontwaken zijne ziel
Gode toevertrouwt (בעה אישן ואעירר־ן).
2. נטילת ידים en אשר יצר, lofzeggingen, die op
־ ITT ־ ־ T V ד
de lichamelijke verrichtingen van den morgen be-trekking hebben.
3. והערב ׳לעשק en אשר בחר. Deze zijn de ברכוה התורה, de lofzeggingen die men eigenlijk
T : '
steeds moest uitspreken vóór het beoefenen der Thora, maar die thans 's morgens met hèt oog op den geheelen dag worden gezegd. Om echter by het uitspreken dezer lofzeggingen onmiddellijk met