139
V.
DE HEFFING VAN HET BROOD (חלה).Van ieder deeg, dat uit tarwe, garst, haver, rogge of spelt bereid, tot brood gebakken zal worden, en waarvan het meel eene ruimte beslaat, gelijk aan die van 43'/6 middelmatige eieren [ongeveer 1 K.G. meelj, moet vóór het bakken (na het uitspreken eener toepasselijke lofzegging) eene gewijde heffing (חלה), ongeveer ter grootte van een ei, afgezonderd en in vuur verbrand worden.
Van ieder deeg, dat in huis bereid wordt, geschiedt de afzondering van חלה bij voorkeur door de huisvrouw of, bij hare afwezigheid of verhindering, door een ander op haar last.
Regel is dit bij het deeg, waarvan het brood van שבת of ירט gebakken wordt (zie II, 2 נ).
Heeft men vergeten, van het deeg vóór het bakken de חלה af te zonderen, don mag dit ook nog van het reeds gebakken brood geschieden; echter niet op שבת, en evenmin op י״ט van het brood, dat reeds vóór י״ט gebakken is. Op die dagen moet men een gedeelte van het brood overlaten en daarvan na het invallen van den nacht חלה afzonderen.
Van brood, dat op י״ט gebakken wordt, zondert men op dien dag wel de חלה af, maar verbrandt haar eerst na het einde van het feest.
Wanneer van verschillende deegen of zelfs, na het bakken, van verschillende brooden, die ieder op zich zelf niet den voor חלה vereischten omvang (שיעור חלה) bezitten, nadat zij daartoe vereenigd zijn, de afzondering van חלה moet plaats hebben, dan kan die vereeniging, behalve bij deegen door hen werkelijk aan elkander te hechten, ook nog geschieden door