116
!גמילורת חסדים): getrouwe afzondering der reeds boven omschreven weldadigheidspenningen, hulp aan en opbeuring van armen en behoeftigen, het ver-strekken van broederlijken raad aan allen, die daaraan behoefte hebben, hartelijke en milde behandeling van onvermogende vreemden, gastvrijheid, vooral tegenover waardige ongelukkigen.
Eene bijzondere uiting van gevoel en deelneming ligt in de wijze, waarop wij ons tegenover loon-trekkende personen, maar bovenal tegenover onze vaste loontrekkende bedienden hebben te gedragen. De Thora, die ons gebiedt, het loon van den daglooner niet bij ons te doen overnachten, leert ons in het algemeen/ alle loontrekkende personen te beschouwen ais vrije/ zelfstandige personen, die ons slechts op het gebied hunner dienstplichten stipte gehoorzaam-heid verschuldigd zijn, maar overigens aanspraak hebben op alle rechten van billijke, teedere en welwillende bejegening, die tegenover onze mede-menschen gelden. Ja, nog meer dan bij andere menschen is dit bij onze loontrekkende bedienden het geval, omdat hun geluk en verblijding in de eerste plaats bij ons berust en het meer of minder dragelijke van den dienstbaren staat voor hen geheel afhangt van de bejegening, die zij van onze zijde ondervinden.
Het leven naar Joodschen zin en voorschrift, zelfs binnen de grenzen onzer woning, is alleen