1.11
geopend wordt. Bij ons afscheid van hen spreken wij de troostbede uit: ז־זמקום ינחם אותף בתוף שאר אבלי ציון וירושלים. Het is algemeen gebrui-kelijk, in ieder sterfhuis gedurende de treurweek dagelijks gezamenlijke bidstonden en daarbij tevens godsdienstige voordrachten te doen houden.
Daar, zooals wij reeds zagen, het verleenen van tijdelijke voorschotten een belangrijk bestanddeel der liefdadigheid uitmaakt, zoo is hier de geschikte plaats, om melding te maken van het in de Thora herhaaldelijk en met nadruk ons voorgehouden verbod, om niet van Israëlieten rente (רבירת) te nemen, of aan Israëlieten rente te geven.
In de algemeene menscheli/jke maatschappij geldt het nemen of geven eener matige rente niet als iets ongeoorloofds. Slechts het Jodendom keurt beide af en laat geene gelegenheid voorbijgaan, om zijne belijders er voor te waarschuwen. Geen wonder dus, dat het verbod slechts voor Israëlieten onder-ling geldt.
Niet alleen het werkelijk geven of nemen van rente is ons verboden. Neen, ook alle mogelijke handelingen, waardoor middellijk of onwillekeurig eene tijdelijke beschikking over eene geldsom eeni-germate beloond wordt, zijn als verwant aan of leidend6 tot rentevordering ongeoorloofd.
Alle vormen en verhoudingen van handel en