101
helpen en voor volslagen armoede te behoeden door verschaffing van arbeid of andere eerbare bronnen van bestaan, door milde, belanglooze voorschotten enz, ziedaar den waren en meestgewenschten vorm van weldoen (Lev. 25, 35), omdat deze den hulp-behoevende niet beschaamt of ontzenuwt, maar integendeel zijn eergevoel onaangetast laat, zijn zelfvertrouwen verhoogt en hem tot vlijtigen, onver■ droten arbeid aanspoort.
Iotusschen, bij alle liefde en hulpbetoon tusschen de menschen onderling blijven er steeds ongelukkigen, die te midden der onveranderlijke omstandigheden geheel of ten deele de gaven hunner medemenschen behoeven. (כי לא יחדל אביון מרןרב הארץ Deut. 15, 11). Dezen die gaven toe te dienen, naar mate van ons vermogen, is de belangrijke liefdeplicht, dien wij צרמה neernan.
Onze liefdegift den arme, wie hij ook zij, geheel te weigeren, wordt in de H. L. en in de vermaningen onzer profeten als eene daad van harde liefdeloosheid streng gegispt en verboden - Wel staat het ons vrij, ja wordt het ons zelfs aanbevolen, bij het schenken van liefdegiften die armen eerder en milder te bedeelen welke op billijke, natuurlijke gronden! daarop aanspraak hebben, als: den verwante tegen-over den niet• verwante, den stadgenoot tegenover den vreemde, de armen van het Heilige Land (^ניי ארץ ישראל). tegenover die van andere landen, den